Wie ontwerpen wij eigenlijk mee wanneer we onze openbare ruimte inrichten?
Die vraag liep als een rode draad door de bijeenkomst van het Child Friendly Cities Initiative (CFCI) van UNICEF Nederland over inclusief spelen en chillen. Wanneer gemeenten spreken over speelplekken, gaat het gesprek vaak over vierkante meters, speeltoestellen, onderhoud, veiligheid en budgetten. Maar tijdens deze bijeenkomst werd een veel fundamentelere vraag gesteld: wie voelt zich eigenlijk welkom in de openbare ruimte? Want een speelplek kan er prachtig uitzien, maar als bepaalde groepen kinderen er niet komen, of zich er niet thuis voelen, is die ruimte dan werkelijk voor iedereen?
Dat bleek direct uit de toelichting van UNICEF op de betekenis van kinderrechten. Spelen werd niet gepresenteerd als een leuke voorziening die gemeenten aanbieden wanneer er budget beschikbaar is. Spelen is een recht. Kinderen hebben recht op vrije tijd, ontspanning, ontmoeting en ontwikkeling. Dat recht geldt voor alle kinderen, ongeacht hun achtergrond, beperking, gender of thuissituatie. Juist daar ontstaat de uitdaging voor gemeenten. Want als spelen een recht is, betekent dat ook dat gemeenten moeten nadenken over de vraag of alle kinderen daadwerkelijk gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die worden aangeboden.
Die vraag kreeg extra betekenis tijdens de presentatie van Jantje Beton en het SamenSpeelNetwerk. Daar werden cijfers gedeeld die tot nadenken stemmen. Honderdduizenden kinderen spelen nauwelijks nog buiten. Nog confronterender was de constatering dat meer dan een derde van de kinderen met een beperking nooit een speelplek bezoekt. Wanneer zij wel op een speelplek komen, spelen zij vaak alleen. Daarmee missen zij niet alleen het plezier van spelen, maar ook belangrijke kansen om sociale contacten op te bouwen, zelfvertrouwen te ontwikkelen en onderdeel te zijn van een groep.
Een van de meest waardevolle inzichten van de bijeenkomst was dat de sprekers niet bleven hangen in de vraag welke beperking een kind heeft. De discussie werd juist omgedraaid. Niet het kind vormt het probleem, maar de manier waarop wij onze omgeving hebben ingericht.Dat lijkt een subtiel verschil, maar het is een wereld van verschil in denken. Het betekent dat de verantwoordelijkheid verschuift van het individu naar de samenleving.
Dat werd geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk. Vaak wordt gedacht dat een inclusieve speelplek vooral bestaat uit aangepaste speeltoestellen. Een rolstoelschommel wordt geplaatst en vervolgens is de conclusie dat inclusie geregeld is. De praktijk blijkt veel complexer. Inclusie gaat niet over de vraag of iedereen afzonderlijk iets kan doen. Inclusie gaat over de vraag of kinderen elkaar daadwerkelijk ontmoeten.
Een voorbeeld dat bleef hangen was een speeltoestel in de vorm van een schip. Niet ieder kind kon op het schip klimmen. Toch was het ontwerp zo gemaakt dat kinderen die beneden bleven spelen onderdeel werden van hetzelfde spel. Daardoor ontstond interactie. Kinderen speelden niet naast elkaar, maar met elkaar. Juist dat samenspel bleek de kern van inclusie te zijn.
Tijdens de bijeenkomst werd ook benadrukt dat inclusie veel verder gaat dan fysieke toegankelijkheid. Een brede toegangspoort, een verhard pad of een aangepast speeltoestel zijn belangrijk, maar daarmee ben je er nog niet. Kinderen moeten zich welkom voelen. Ouders moeten zich veilig voelen. Vrijwilligers moeten weten hoe zij met verschillende doelgroepen omgaan. Een speelplek wordt pas echt inclusief wanneer ook de sociale omgeving inclusief is.
Daarmee werd een belangrijke les zichtbaar voor gemeenten. Te vaak wordt inclusie benaderd als een technisch vraagstuk. Terwijl het minstens zo veel gaat over cultuur, gedrag, ontmoeting en bewustwording.
Misschien nog interessanter werd het tweede deel van de bijeenkomst, waarin de aandacht verschoof naar een groep die in veel beleidsstukken nauwelijks zichtbaar is: tienermeiden.
Onder leiding van onderzoeker Hilde Wierda-Boer van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en Linda Hooijer van de gemeente Apeldoorn werden de deelnemers meegenomen in het project ‘Plek voor Meiden’. De aanleiding was even eenvoudig als confronterend. Wanneer onderzoekers kijken naar schoolpleinen en openbare ruimtes, zien zij dat jongens vaak een groot deel van de ruimte gebruiken, terwijl meisjes zich vaker aan de randen bevinden. Dat patroon blijkt op veel plekken terug te komen.
De conclusie was helder: openbare ruimte is niet neutraal.
Dat inzicht zette mij als raadslid aan het denken. In de gemeenteraad spreken we regelmatig over speelvoorzieningen, leefbaarheid en de inrichting van de openbare ruimte. Maar hoe vaak staan we daarbij stil bij de vraag wie die ruimte daadwerkelijk gebruikt? Welke kinderen voelen zich welkom? Welke kinderen blijven weg? En weten we eigenlijk waarom? Terwijl de praktijk laat zien dat sommige groepen zich veel minder vrij voelen om diezelfde ruimte te gebruiken.
De kracht van dit onderzoek zat niet alleen in de uitkomsten, maar vooral in de manier waarop het werd uitgevoerd. De onderzoekers spraken niet over meiden, maar werkten met meiden. Meer dan zeventig meiden werden geïnterviewd. Daarnaast werkte een groep jongeren actief mee als medeonderzoekers. Zij maakten foto’s, bezochten locaties, analyseerden hun omgeving en gingen in gesprek met ontwerpers en beleidsmakers.
Een verhaal van één van de deelnemers maakte veel indruk. Zij vertelde over een plek die zij moest fotograferen. Pas later realiseerde zij zich dat zij de foto van grote afstand had genomen. Niet omdat dat de opdracht was, maar omdat zij zich niet prettig voelde om dichterbij te komen. Er was geen concreet incident geweest. Niemand had haar aangesproken. Toch voelde de plek onveilig. De uitstraling, de geslotenheid, het gebrek aan overzicht en de sfeer zorgden ervoor dat zij instinctief afstand hield.
Juist dat verhaal laat zien waarom participatie zo belangrijk is. Als raadslid kun je een locatie bezoeken, stukken lezen en voorstellen beoordelen. Maar dat betekent nog niet dat je weet hoe kinderen en jongeren diezelfde plek ervaren. Een ontwerper kan jarenlang naar een plek kijken zonder dat gevoel ooit te ervaren. Een beleidsmaker kan een locatie beoordelen op onderhoud, inrichting en functionaliteit. Maar alleen de gebruiker kan vertellen hoe een plek daadwerkelijk voelt.
De meiden benoemden opvallend vaak dezelfde elementen. Niet spectaculaire voorzieningen stonden centraal, maar overzicht, zichtbaarheid, verlichting, groen, onderhoud, sfeer en de mogelijkheid om ergens rustig samen te zitten. Een bankje bleek soms belangrijker dan een speeltoestel. Niet omdat meiden minder actief zouden zijn, maar omdat ontmoeting, sociale veiligheid en verblijf minstens zo belangrijk zijn als activiteit.
Dat vraagt om een bredere kijk op de openbare ruimte. Gemeenten investeren vaak veel aandacht in speelplekken voor jonge kinderen. Tieners verdwijnen vervolgens regelmatig uit beeld. Terwijl juist die leeftijdsgroep behoefte heeft aan plekken waar zij elkaar kunnen ontmoeten zonder direct te worden weggestuurd of als overlastgever te worden gezien.
Wat het onderzoek in Apeldoorn extra waarde gaf, was dat jongeren hun inbreng daadwerkelijk terugzagen in de resultaten. Ontwerpers kwamen terug met aangepaste plannen. Jongeren zagen hoe hun ideeën werden verwerkt. Daardoor ontstond iets wat bij participatie vaak ontbreekt: vertrouwen. Het vertrouwen dat inspraak meer is dan een verplicht vinkje in een proces.
De rode draad van de bijeenkomst was uiteindelijk verrassend eenvoudig. Een inclusieve buitenruimte ontstaat niet vanzelf. Zij ontstaat doordat gemeenten bereid zijn om verder te kijken dan de gemiddelde gebruiker. Door actief op zoek te gaan naar de kinderen die minder zichtbaar zijn. Door niet te ontwerpen vóór kinderen, maar samen mét kinderen.
Daarmee raakt deze bijeenkomst aan een veel grotere maatschappelijke vraag. Wie zien wij eigenlijk wanneer wij beleid maken? Zijn dat vooral de mensen die hun weg naar het gemeentehuis weten te vinden? De mensen die inspreken? De mensen die reageren op enquêtes? Of slagen we er ook in om de stemmen te horen van kinderen, jongeren, kinderen met een beperking en groepen die minder zichtbaar zijn?
Juist daarin ligt volgens mij de kracht van het kinderrechtenperspectief. Het dwingt ons om anders te kijken. Niet vanuit systemen, procedures of voorzieningen, maar vanuit de ervaring van het kind zelf.
Want uiteindelijk wordt een gemeente niet kindvriendelijk door het aantal speeltoestellen dat wordt geplaatst. Een gemeente wordt kindvriendelijk wanneer ieder kind het gevoel heeft dat er ook voor hem of haar een plek is. Een plek om te spelen, te ontmoeten, te ontspannen, zichzelf te zijn en onderdeel uit te maken van de samenleving.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van deze bijeenkomst. De kwaliteit van een openbare ruimte wordt niet bepaald door wat er staat, maar door wie zich er welkom voelt.
