We doen het samen, maar hoe?
Het thema van deze twee dagen was helder: ‘We doen het samen’.
Een sympathieke boodschap, maar ook eentje die om een vervolgvraag vraagt: hoe doe je dat eigenlijk, samen, wanneer gemeenten steeds meer verantwoordelijkheden krijgen en tegelijkertijd tegen de grenzen van geld, mensen en uitvoeringskracht aanlopen?
VNG-voorzitter Sharon Dijksma draaide niet om die werkelijkheid heen. Gemeenten staan voor grote opgaven: bestaanszekerheid, zorg, woningbouw en infrastructuur, regionale economie, energie en de weerbaarheid van onze samenleving. Ondertussen verwachten inwoners terecht dat hun gemeente gewoon levert.
Daar zit precies de spanning. Een coalitieakkoord kan nog zo ambitieus zijn, maar zonder voldoende geld en mensen blijft papier gewoon papier.
En dan komt vanzelf Den Haag in beeld. Dijksma benadrukte dat gemeenten kritisch moeten kunnen zijn richting het Rijk, maar tegelijkertijd partner moeten blijven. Niet tegenover elkaar staan en naar elkaar wijzen, maar handelen vanuit het idee van één overheid. Een inwoner merkt uiteindelijk vooral of iets wel of niet geregeld wordt.
‘We doen het samen’ gaat bovendien niet alleen over overheden. Misschien begint het echte samen juist buiten het gemeentehuis: bij inwoners die initiatief nemen, ondernemers die kansen zien, vrijwilligers die iets opbouwen en organisaties die midden in de samenleving staan. Voor gemeenten is de vraag dan niet alleen wat zij zelf kunnen doen, maar ook waar zij ruimte moeten geven aan anderen.
Met vijftig deelsessies voor de boeg was de opdracht voor het congres daarmee duidelijk: niet alleen kennis halen, maar ervaringen delen, vragen stellen en kijken wat elders werkt.
Gastgemeenten Oost Gelre en Winterswijk brachten dat ‘samen’ ondertussen zelf in praktijk door gezamenlijk duizenden mensen uit het lokale bestuur te ontvangen.
Inspiratie genoeg dus. Maar inspiratie alleen verandert natuurlijk nog niets. De echte vraag is wat we ermee doen zodra we weer thuis zijn.






Die vraag – wat kunnen we na zo’n congres daadwerkelijk doen? – liep eigenlijk meteen door in de bijdrage van minister-president Rob Jetten.
Hij sloot aan bij het thema ‘We doen het samen’, maar bracht daarbij ook zijn eigen ervaring met het lokale bestuur in. Gemeenten zijn volgens hem de ‘eerste overheid’: de plek waar inwoners de overheid in hun dagelijks leven het meest direct ervaren.
Dat betekent ook dat landelijke besluiten uiteindelijk lokaal moeten werken. Jeugdzorg was daarvan een duidelijk voorbeeld. Gemeenten moeten die zorg zo goed en efficiënt mogelijk organiseren, maar Jetten benadrukte tegelijkertijd dat het Rijk voldoende middelen beschikbaar moet stellen voor taken die gemeenten namens de landelijke overheid uitvoeren.
Dat onderwerp raakte voor mij direct aan kinderrechten. We kunnen eindeloos praten over stelsels, budgetten en verantwoordelijkheden, maar uiteindelijk gaat het om een kind dat recht heeft op passende hulp. Als die hulp niet of te laat beschikbaar is, merkt dat kind weinig van de bestuurlijke discussie over wie waarvoor verantwoordelijk is.
Diezelfde spanning speelt bij woningbouw, infrastructuur, openbaar vervoer, natuur, energie en verduurzaming. Volgens Jetten moeten Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen veel meer vanuit een gezamenlijke langetermijnvisie werken. Niet steeds opnieuw onderhandelen over wie welke rekening betaalt, maar vooruitkijken naar wat over tien of twintig jaar nodig is.
Een zin uit zijn bijdrage vond ik veelzeggend: energie die overheden besteden aan onderlinge ruzies, kunnen ze niet besteden aan inwoners.
Ook migratie en integratie kwamen aan bod. Wat landelijk vaak een fel politiek debat is, wordt lokaal heel concreet: opvang organiseren, statushouders huisvesten, taalonderwijs regelen en zorgen dat mensen kunnen deelnemen aan de samenleving. Juist gemeenten krijgen te maken met de praktische gevolgen én met de spanningen die daarbij kunnen ontstaan.
Daarmee kwam Jetten bij een onderwerp dat gedurende de ochtend vaker zou terugkeren: agressie en intimidatie tegen lokale politici. Volgens hem heeft ongeveer een derde van de raadsleden daarmee te maken. Dat raakt niet alleen de persoon die wordt bedreigd of uitgescholden, maar uiteindelijk ook de lokale democratie.
Tijdens het gesprek werd het persoonlijker. Jetten vertelde dat hij op een gegeven moment is gestopt met het lezen van reacties op sociale media en onder nieuwsberichten. Ook binnen de politiek ligt volgens hem een verantwoordelijkheid om elkaar beter te beschermen wanneer iemand persoonlijk wordt aangevallen. Daarbij benoemde hij specifiek de agressie waarmee vrouwelijke raadsleden en wethouders te maken kunnen krijgen.
Tussen alle grote dossiers door bracht hij het gesprek uiteindelijk terug naar iets heel lokaals. Een nieuwe speeltuin. Een ontmoetingsplek voor ouderen. Woningen die eindelijk gebouwd worden. Een bibliotheek die openblijft.
Misschien zit juist daarin de kracht van lokaal bestuur. Grote maatschappelijke vraagstukken worden uiteindelijk zichtbaar in heel concrete dingen die het dagelijks leven van inwoners raken.
En precies daar verschoof het programma van wat overheden moeten organiseren naar wat mensen in buurten en gemeenschappen zélf voor elkaar kunnen betekenen.

Van de overheid verschoof het perspectief naar wat er in buurten en gemeenschappen gebeurt wanneer mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor elkaar.
Met Koningin Máxima kwam het werk van het Oranje Fonds in beeld. Als beschermvrouwe is zij vanaf het begin nauw bij het fonds betrokken. We zagen voorbeelden uit het hele land van plekken waar mensen elkaar ontmoeten, naar elkaar omkijken en weer het gevoel krijgen ergens bij te horen.
Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar juist zulke plekken kunnen voorkomen dat mensen geïsoleerd raken of het gevoel verliezen dat ze ertoe doen. Lokale initiatieven zijn daarmee veel meer dan een aardige aanvulling op gemeentelijk beleid. Ze kunnen het verschil maken tussen aan de kant staan en daadwerkelijk onderdeel zijn van een gemeenschap.
Een gedachte uit dit onderdeel bleef bij mij hangen: we kijken vaak naar wat iemand niet kan, terwijl er iets heel anders gebeurt wanneer je begint bij talent, mogelijkheden en wat iemand nodig heeft om verder te komen.
Tegelijkertijd kunnen maatschappelijke initiatieven het niet alleen. Daar ligt ook een opdracht voor gemeenten en andere overheden. Niet pas aansluiten wanneer een initiatief succesvol is, maar eerder vertrouwen geven, ruimte creëren en onnodige belemmeringen wegnemen.
De boodschap was eigenlijk heel eenvoudig: praat niet alleen óver maatschappelijke initiatieven, maar verbind je eraan.
Daar krijgt het congresthema ‘We doen het samen’ ook betekenis. Samenwerken betekent soms dat de overheid niet zelf bepaalt wat er moet gebeuren, maar ruimte durft te geven aan wat vanuit de samenleving ontstaat. En vervolgens ook kritisch kijkt naar de eigen regels en procedures wanneer die goede initiatieven juist in de weg staan.
Maar ruimte geven en kunnen meedoen zijn niet automatisch hetzelfde. Want wat gebeurt er wanneer onze omgeving zélf de reden is dat iemand niet kan deelnemen? Precies daar bracht Esther Vergeer het gesprek naartoe.

Maar ruimte geven en kunnen meedoen zijn niet automatisch hetzelfde. Want wat gebeurt er wanneer onze omgeving zélf de reden is dat iemand niet kan deelnemen? Precies daar bracht Esther Vergeer het gesprek naartoe.
Wie haar sportcarrière kent, zou misschien verwachten dat het vooral over winnen zou gaan. Vergeer won 470 wedstrijden op rij. Toch ging haar verhaal vooral over wat achter zo’n individuele prestatie schuilgaat. Familie, coaches, sportorganisaties en vrienden: op het beslissende moment sta je misschien alleen op de tennisbaan, maar niemand bereikt zo’n niveau helemaal alleen.
Ook sport zelf is volgens haar veel meer dan bewegen. Kinderen leren er samenwerken, respect hebben voor elkaar, winnen, verliezen en omgaan met een ‘nee’. Maar niet iedereen kan vanzelfsprekend meedoen. Geld, een beperking of onzekerheid kunnen al genoeg zijn om iemand buiten de vereniging te houden.
Na haar sportcarrière stond Vergeer vijf keer als chef de mission aan het hoofd van de Nederlandse Paralympische ploeg. Daar draaide het niet langer om haar eigen prestatie, maar om het creëren van omstandigheden waarin anderen konden presteren.
Haar aanpak was opvallend eenvoudig: eerst luisteren, dan beslissen. Niet automatisch meegaan met degene die het hardst roept, maar verschillende stemmen horen. En als niet iedereen zijn zin kan krijgen, uitleggen waarom een bepaalde keuze wordt gemaakt.
Ook haar kijk op leiderschap sprak mij aan. Vertrouwen op je eigen kunnen betekent volgens haar niet dat je alles zelf moet weten. Juist kunnen zeggen dat je iets niet weet, hulp vragen en soms bewust een stap opzijzetten, horen daar ook bij.
Het scherpst werd haar boodschap toen het over toegankelijkheid ging. Vergeer voelt zich lang niet altijd beperkt door haar rolstoel. Soms ontstaat die beperking pas door de omgeving: een pinautomaat die te hoog is, een restaurant zonder toegankelijk toilet of een gebouw waar je simpelweg niet binnenkomt.
Dat draait de vraag om.
Niet: waarom kan iemand niet meedoen?
Maar: wat hebben wij zo georganiseerd dat iemand niet kán meedoen?
Daarom zou volgens Vergeer bij ieder nieuw project vanaf het begin de vraag moeten worden gesteld wie kan deelnemen en wie niet. En als iemand buiten de boot valt: vraag die persoon wat er nodig is, in plaats van het voor hem of haar te bedenken.
Meedoen zou daarmee geen ambitie moeten zijn die achteraf aan beleid wordt toegevoegd, maar een uitgangspunt bij het maken ervan.
Dat verhaal over toegankelijkheid raakte uiteindelijk aan een veel bredere bestuurlijke vraag: hoe dichtbij staat een overheid eigenlijk bij het dagelijks leven van inwoners? Vanuit precies dat lokale perspectief nam Jonathan Holslag het gesprek over.

Dat verhaal over toegankelijkheid raakte uiteindelijk aan een bredere bestuurlijke vraag: hoe dichtbij staat een overheid eigenlijk bij het dagelijks leven van inwoners? Vanuit precies dat lokale perspectief nam Jonathan Holslag het gesprek over.
Dat was interessant, juist vanwege zijn achtergrond. Holslag hield zich jarenlang bezig met China, Rusland, veiligheid en geopolitiek, maar werd uiteindelijk zelf burgemeester. Lokale kwesties in zijn woonplaats leidden tot de oprichting van de partij Durf. De partij mikte aanvankelijk op enkele zetels, maar behaalde 29 procent. Ineens moest er niet alleen worden geanalyseerd en gedebatteerd, maar bestuurd.
Zijn belangrijkste les: onderschat nooit de betekenis van het lokale. We kunnen veel praten over globalisering en wereldpolitiek, maar vertrouwen, veiligheid en verbondenheid ontstaan voor veel mensen vooral in hun eigen straat, buurt, dorp of stad. Als het lokaal niet werkt, heeft dat uiteindelijk ook gevolgen voor het vertrouwen in de politiek als geheel.
Tegelijkertijd krijgen gemeenten steeds meer verantwoordelijkheden, terwijl geld en mogelijkheden niet automatisch meegroeien. Daar komt een samenleving bij die steeds diverser wordt. Holslag maakte daarbij een interessant onderscheid: diversiteit is een gegeven, maar samenhang ontstaat niet vanzelf. De bestuurlijke opgave is hoe mensen met verschillende achtergronden zich toch onderdeel kunnen voelen van dezelfde gemeenschap.
Juist die nabijheid maakt lokaal bestuur volgens hem waardevol én zwaar. Een burgemeester of raadslid komt inwoners voortdurend tegen. Kritiek blijft daardoor niet op afstand en het werk stopt niet automatisch wanneer je het gemeentehuis verlaat.
Ook Holslag sprak daarom over agressie en druk op lokale politici. Daarmee sloot hij aan bij wat Jetten eerder die ochtend benoemde. We verwachten dat lokale bestuurders dichtbij en aanspreekbaar zijn, maar moeten tegelijkertijd serieus nemen wat voortdurende agressie, intimidatie en publieke druk met mensen doen.
Zijn antwoord daarop was opvallend nuchter: blijf met beide voeten op de grond, wees eerlijk en verwacht niet dat goed bestuur altijd applaus oplevert.
Daar hoort volgens hem ook bij dat inwoners soms een boodschap krijgen die ze liever niet horen. Als het geld op is, kun je het niet erbij toveren. Als iets jaren duurt, moet je dat zeggen. Besturen betekent dus niet alleen verwachtingen creëren, maar soms ook verwachtingen begrenzen.
Een uitspraak bleef daarbij hangen: ‘Een stad is geen camping.’
Inwoners hebben rechten, maar volgens Holslag ook verantwoordelijkheid voor hun omgeving en gemeenschap. Samenleven betekent niet dat voor iedere opgave automatisch naar de overheid kan worden gekeken.
Tegelijkertijd ontslaat dat een bestuurder niet van de plicht om te luisteren en dichtbij te blijven. Luisteren betekent alleen niet dat alles onderhandelbaar is. Ook een bestuurder moet weten waar zijn of haar grenzen liggen en waarvoor hij of zij staat.
Daarmee bracht Holslag zijn verhaal uiteindelijk terug tot een zoektocht naar evenwicht: openstaan voor de wereld en tegelijkertijd werken aan samenhang, verantwoordelijkheid, veiligheid en verbondenheid dichtbij huis.
Vanuit zijn jarenlange blik op internationale conflicten kwam zo juist een heel lokale boodschap naar voren: democratie wordt niet alleen in hoofdsteden verdedigd. Ze moet iedere dag opnieuw werken in een straat, buurt, dorp en gemeente.

Die lokale praktijk bracht Sandra Phlippen, Chief Sustainability Officer van ABN AMRO, bij een vraag die eigenlijk de hele ochtend al boven het programma hing: hoe krijgen we al die ambities daadwerkelijk uitgevoerd?
Ze had de bijdragen van die ochtend gevolgd en probeerde er een rode draad uit te halen. Haar conclusie was scherp: aan plannen, rapporten en theorieën hebben we geen gebrek. Het wordt tijd voor uitvoering.
En juist daar wordt het ingewikkeld. Energietransitie, netcongestie, woningbouw, stikstof, droogte, wateroverlast en klimaatverandering zijn afzonderlijk al enorme opgaven, maar komen uiteindelijk allemaal samen in dezelfde gemeente, wijk en buurt.
Volgens Phlippen moeten we daarbij breder kijken dan economische groei, inkomen en koopkracht. Brede welvaart gaat ook over zekerheid, welzijn, geborgenheid en de mogelijkheid om van betekenis te zijn voor een ander.
Daarmee kwam het Oranje Fonds opnieuw in beeld. De overheid kan voorzieningen en regelingen organiseren, maar verbondenheid ontstaat tussen mensen. In buurten, verenigingen, initiatieven en ontmoetingsplekken. Juist investeren in die lokale sociale samenhang zag Phlippen als een belangrijke opgave voor lokale bestuurders.
Ook verduurzaming maakte ze heel concreet. Mensen komen niet altijd in beweging omdat een regeling bestaat of omdat verduurzamen financieel aantrekkelijk is. Ze willen weten: kan ik dit betalen, welke installateur kan ik vertrouwen, wat past bij mijn woning en hoe kom ik door alle regels en subsidies heen?
Daar zit een bredere bestuurlijke les in. Goed beleid gaat niet alleen over wat je van mensen vraagt, maar ook over hoeveel onzekerheid, ingewikkeldheid en gedoe je voor hen weet weg te nemen.
En precies daar kwam AI in beeld.
Phlippen zag mogelijkheden om met kunstmatige intelligentie processen eenvoudiger te maken en administratief werk te verminderen, maar waarschuwde tegelijkertijd voor verdere afstand tussen mensen. Technologie kan tijd besparen, maar de vraag is wat we met die gewonnen tijd doen.
Ook snelheid is niet automatisch vooruitgang. Een hypotheek die straks misschien binnen enkele minuten kan worden geregeld klinkt efficiënt, maar bij grote levensbeslissingen hebben mensen soms juist tijd nodig om informatie te verwerken en een keuze goed te overzien.
De vraag is dus niet alleen wat AI technisch mogelijk maakt, maar waarvoor we het willen gebruiken. Technologie zou volgens haar ruimte moeten creëren voor menselijk contact, in plaats van dat contact verder te vervangen.
Zo kwamen verschillende lijnen van de ochtend bij elkaar. Máxima en het Oranje Fonds brachten verbondenheid in beeld, Esther Vergeer liet zien wat werkelijk meedoen vraagt, Jonathan Holslag legde de nadruk op vertrouwen en gemeenschap en Sandra Phlippen stelde daar uiteindelijk de uitvoeringsvraag naast.
Grote maatschappelijke vraagstukken vragen om beleid, geld en technologie. Maar uiteindelijk moeten ze werken in het dagelijks leven van mensen. Misschien was dát wel de rode draad van deze ochtend.

Na een ochtend vol grote woorden als brede welvaart, verbondenheid, vertrouwen en menselijke maat, werd het tijd om te kijken naar iets waar uiteindelijk bijna iedere gemeentelijke ambitie mee te maken krijgt: geld.
Voor het tweede deel van de dag koos ik daarom bewust voor de workshop ‘Actualiteiten gemeentefinanciën: wat betekent dit voor uw gemeente?’, verzorgd door Nils Nijdam, coördinator gemeentefinanciën bij de VNG, en Peter van Soest, teammanager gemeentefinanciën bij de VNG.
Niet het meest luchtige onderwerp voor een lange congresdag, maar wel een belangrijke. Want achter vrijwel iedere politieke ambitie zit uiteindelijk dezelfde vraag: kunnen we het ook betalen?
De locatie maakte deze workshop extra bijzonder. We waren hiervoor naar Huis Bergh in ’s-Heerenberg gebracht. Terwijl we binnen spraken over begrotingen, het gemeentefonds, jeugdzorg en financiële onzekerheden, zaten we midden in een kasteel met een geschiedenis die eeuwen teruggaat. Dat contrast alleen al maakte deze deelsessie anders dan een bijeenkomst in een gewone congreszaal.
De financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten stond centraal. Daarbij werd eerst teruggekeken op het veelbesproken financiële ravijn. Dat is de afgelopen jaren flink gedempt, maar volgens de VNG zijn de taken die gemeenten uitvoeren en de middelen die daarvoor beschikbaar zijn nog altijd niet structureel in balans. Ook de nieuwe systematiek waarmee het gemeentefonds meebeweegt, kent aandachtspunten. Een verschil in prijsontwikkeling kan op het totale gemeentefonds al honderden miljoenen euro’s structureel schelen.
Vooral 2028 kwam tijdens de workshop nadrukkelijk naar voren als zorgpunt. Een belangrijke oorzaak daarvan is de jeugdzorg. De kosten blijven stijgen en zonder veranderingen in het stelsel kan die ontwikkeling zich verder voortzetten. Dat raakt niet alleen het sociaal domein. Geld dat ergens verplicht moet worden uitgegeven, kan immers niet tegelijkertijd worden gebruikt voor andere gemeentelijke taken.
En juist daar werd de workshop voor mij interessant. Gemeentefinanciën kunnen al snel technisch klinken, maar achter die cijfers zitten politieke en maatschappelijke keuzes. Als financiële ruimte kleiner wordt, kunnen investeringen worden uitgesteld, onderhoudstermijnen worden opgerekt of plannen naar achteren worden geschoven. Dat lost op papier misschien tijdelijk iets op, maar de rekening verdwijnt daarmee niet. Soms verschuift die alleen naar de toekomst.
Een discussie vanuit de zaal maakte dat nog concreter. Vooral bij jeugdzorg kan een vreemde situatie ontstaan. Gemeenten willen investeren in preventie, bijvoorbeeld op scholen of door problemen vroegtijdig aan te pakken. Maar wanneer een begroting onder druk staat, kunnen juist die preventieve maatregelen ter discussie komen te staan. Voor zware jeugdzorg die later noodzakelijk blijkt, bestaat die keuzevrijheid veel minder.
Een voorbeeld uit het gesprek maakte de tegenstelling bijna pijnlijk eenvoudig: een preventieve maatregel van enkele duizenden euro’s kan vandaag worden geschrapt, terwijl een gemeente een jaar later misschien een veelvoud moet betalen wanneer zwaardere ondersteuning noodzakelijk is. Financieel lijkt besparen op de korte termijn dan verstandig, terwijl het maatschappelijk én financieel op langere termijn juist duurder kan uitpakken.
Daarmee kwam ook de vraag op tafel wat we eigenlijk onder gemeentelijke ‘ambities’ verstaan. Dat woord kan de indruk wekken dat het gaat om leuke extra’s die een nieuw gemeentebestuur graag wil realiseren. Maar gemeenten hebben ook te maken met onderhoud van schoolgebouwen, infrastructuur, preventie en andere noodzakelijke voorzieningen. Niet alles wat boven op de minimale wettelijke verplichtingen komt, is automatisch luxe.
Een tweede belangrijk punt was voorspelbaarheid. Gemeenten kunnen gedurende het jaar alsnog geld ontvangen. Dat kan ertoe leiden dat een jaarrekening uiteindelijk positiever uitvalt, terwijl eerder in het jaar moeilijke keuzes zijn gemaakt om de begroting sluitend te krijgen. Meer geld klinkt natuurlijk aantrekkelijk, maar geld dat laat beschikbaar komt helpt niet altijd bij het maken van structurele keuzes.
Daarom gaat de discussie niet alleen over hoeveel geld gemeenten krijgen. Minstens zo belangrijk is wanneer het beschikbaar komt, hoe structureel het is en hoeveel zekerheid gemeenten hebben voor de jaren daarna. Een structurele verantwoordelijkheid laat zich nu eenmaal moeilijk organiseren met steeds wisselende incidentele middelen.
Ook de balans tussen taken en middelen kreeg veel aandacht. Wanneer het Rijk gemeenten vraagt een taak uit te voeren, moet duidelijk zijn wat die taak precies inhoudt, welke bevoegdheden gemeenten krijgen, welke risico’s zij dragen en welke financiering daar tegenover staat. Als die onderdelen niet met elkaar in evenwicht zijn, ontstaan de problemen uiteindelijk lokaal.
Interessant vond ik daarom de ontwikkeling van een zogenoemde balanscan. Het idee is dat niet alleen bij de invoering van een nieuwe taak wordt gekeken naar uitvoerbaarheid en kosten, maar dat later opnieuw kan worden onderzocht of taken en middelen nog steeds met elkaar in balans zijn. Tijdens de uitvoering kan immers van alles veranderen: de kosten kunnen stijgen, de opdracht kan worden uitgebreid of de bekostiging kan wijzigen. Hoe die balanscan precies wordt ingezet en wie erom kan vragen, was volgens de sprekers nog niet volledig uitgewerkt.
Ook de hoeveelheid specifieke uitkeringen kwam voorbij. Die geven het Rijk mogelijkheden om voorwaarden aan geld te verbinden, maar zorgen tegelijkertijd voor administratieve lasten bij gemeenten én het Rijk. Er wordt daarom gewerkt aan een andere vorm van financiering waarbij nog wel beleidsinformatie kan worden gevraagd, maar gemeenten minder worden vastgezet in gedetailleerde verantwoordingsvoorwaarden.
En dan is er nog de verdeling van het gemeentefonds zelf. Niet alleen de omvang van ‘de koek’ is onderwerp van discussie, maar ook hoe die koek tussen gemeenten wordt verdeeld. Het huidige verdeelmodel is nog in ontwikkeling en voor sommige gemeenten kan een wijziging grote gevolgen hebben voor de financiële ruimte. Dat maakt voorspelbaarheid opnieuw belangrijk: gemeentebesturen moeten immers meerjarig beleid maken terwijl een verandering in het verdeelmodel miljoenen kan schelen.
Aan het einde kwam vanuit de zaal nog een andere vraag: moet de discussie eigenlijk alleen gaan over méér geld vanuit het Rijk, of moeten gemeenten ook kritisch kijken naar hun eigen organisatie en naar mogelijkheden om efficiënter samen te werken?
Dat vond ik een goede toevoeging. Ook daar ligt een verantwoordelijkheid. Gemeenten kunnen meer gezamenlijk organiseren en risico’s delen. De verhouding met het Rijk kan dus niet alleen bestaan uit vragen om extra middelen; gemeenten moeten ook kritisch blijven kijken naar wat zij zelf anders of slimmer kunnen organiseren.
Ik ben geen financieel expert en pretendeer dat ook niet te zijn. Maar juist daarom vond ik deze workshop waardevol. Gemeentefinanciën zijn veel minder abstract dan alle termen, modellen en circulaires soms doen vermoeden.
Achter een begrotingsregel zit een keuze. Achter uitgesteld onderhoud zit een consequentie. Achter een tekort in de jeugdzorg kan een kind of gezin zitten dat ondersteuning nodig heeft. En achter incidenteel geld zit een gemeenteraad die wel structurele beslissingen moet nemen.
Daarmee sloot de middag verrassend goed aan op de ochtend. Daar ging het veel over wat we als overheid en samenleving willen bereiken. Hier werd zichtbaar wat ervoor nodig is om dat ook werkelijk te kunnen uitvoeren.
Want ambities opschrijven is één ding. Ze duurzaam kunnen betalen en uitvoeren is iets heel anders.
Na al die cijfers, financiële systematieken en zorgen over de toekomst van gemeentelijke begrotingen was er gelukkig ook tijd om de plek zelf te ontdekken. We kregen een rondleiding door Huis Bergh, dat kort daarvoor na een omvangrijke restauratie opnieuw was geopend.
Het kasteel kent een geschiedenis van ongeveer negen eeuwen. Wat ooit begon met een verdedigingstoren groeide door de eeuwen heen uit tot het complex dat er vandaag staat. Tijdens de rondleiding hoorden we niet alleen over de vroegere bewoners en de kunstcollectie, maar ook over de enorme opgave om zo’n monument voor de toekomst te behouden.
Dat bleek letterlijk noodzakelijk. De fundering was aan het verzakken en moest worden hersteld. Tegelijkertijd is geprobeerd het eeuwenoude gebouw te verduurzamen zonder het historische karakter aan te tasten. Zo werd het dak geïsoleerd en zijn warmtepompen geplaatst. Volgens de uitleg kan daarmee ongeveer 70 procent op het gasverbruik worden bespaard. Ook werd het gebouw toegankelijker gemaakt met een lift, waardoor rolstoelgebruikers voor het eerst beter toegang kregen tot het kasteel.
Mooi vond ik ook het verhaal achter de kunstcollectie. In 1912 kwam Huis Bergh in handen van textielfabrikant en kunstverzamelaar Jan Herman van Heek. Hij wilde voorkomen dat belangrijk Nederlands erfgoed en kunst verloren zouden gaan of naar het buitenland zouden verdwijnen. Het kasteel werd gerestaureerd en Van Heek bouwde er een bijzondere kunstcollectie op.
Maar in 1939 sloeg het noodlot toe: een grote brand verwoestte een belangrijk deel van het kasteel. Van Heek was op dat moment niet aanwezig. Inwoners uit ’s-Heerenberg kwamen massaal naar het kasteel en brachten kunstwerken naar buiten. Daardoor kon een groot deel van de schilderijencollectie worden gered.
Dat verhaal vond ik misschien wel een van de mooiste momenten van de rondleiding. Een kasteel kan eigendom zijn van een stichting, familie of organisatie, maar op zo’n moment blijkt hoeveel een plek ook voor een gemeenschap kan betekenen.
Oud en nieuw kwamen tijdens de rondleiding bovendien op een bijzondere manier samen. Er was historisch geluidsmateriaal bewaard gebleven waarop de stem van Van Heek te horen is. Met behulp van kunstmatige intelligentie, oud beeldmateriaal en een schilderij is zijn verhaal opnieuw tot leven gebracht. Zo kan hij bezoekers als het ware zelf vertellen over zijn leven, het kasteel en zijn verzameling.
Na een ochtend waarin AI nog onderwerp van discussie was geweest bij Sandra Phlippen, stond ik een paar uur later in een eeuwenoud kasteel te kijken naar een heel andere toepassing ervan. Niet om menselijk contact te vervangen, maar om geschiedenis toegankelijk te maken en een verhaal op een nieuwe manier door te geven.
Eigenlijk paste de rondleiding daardoor onverwacht goed bij de rest van de dag. We hadden gesproken over investeren, onderhoud, verduurzaming, toegankelijkheid, technologie en keuzes maken voor de lange termijn. In Huis Bergh zag je wat dat in een heel andere context betekent: behouden wat waardevol is, aanpassen waar dat nodig is en tegelijkertijd zorgen dat ook een eeuwenoud gebouw klaar is voor een nieuwe generatie.
En misschien was dat na een middag over gemeentefinanciën nog niet eens zo’n vreemde afsluiting. Ook bij gemeenten gaat het uiteindelijk voortdurend over diezelfde vraag: wat willen we behouden, waarin moeten we vandaag investeren en wat laten we achter voor de generaties na ons?
