VNG Congresdag 2 – Wat is werkelijk van waarde?
De tweede congresdag keek ik met een andere blik naar het programma. Ik was er niet alleen als raadslid en fractievoorzitter uit Barendrecht, maar ook namens het landelijke comité Raden in Verzet. Twee petten dus, die deze dag opvallend vaak bij dezelfde vragen uitkwamen: wat verwachten we eigenlijk allemaal van gemeenten – en geven we ze ook de middelen en ruimte om dat waar te maken?
Raden in Verzet brengt gemeenteraadsleden uit het hele land bij elkaar rond precies die spanning. Onder het motto ‘Geen taken zonder knaken’ vraagt het comité aandacht voor financieel gezonde gemeenten en een eerlijke verhouding tussen de taken die gemeenten krijgen en de middelen die daarvoor beschikbaar worden gesteld.

Dat klinkt misschien als een financiële discussie. Maar deze ochtend werd al snel duidelijk dat het over veel meer gaat. Over kinderen die hulp nodig hebben. Over gezinnen die vastlopen. Over wonen, armoede en preventie. En uiteindelijk over de vraag hoeveel lokale keuzes er nog overblijven wanneer steeds meer geld al vastligt voordat een gemeenteraad überhaupt aan kiezen toekomt.
De ochtend in Lichtenvoorde begon met een korte terugblik op de eerste congresdag en het avondprogramma in Winterswijk. Bijzonder was dat bestuurders uit Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Eustatius, Saba en Sint Maarten vertegenwoordigd waren. Daarmee kreeg het congresthema ‘We doen het samen’ nog een extra dimensie.
Ook de toenemende druk op lokale bestuurders kwam opnieuw ter sprake. Intimidatie en bedreigingen raken niet alleen degene tegen wie ze zijn gericht. Ze stellen ook een vraag aan anderen: spreken we ons uit wanneer een collega wordt aangevallen, ook wanneer we politiek tegenover elkaar staan?
Dat sloot aan bij iets wat een dag eerder eveneens naar voren kwam. Verschil van mening hoort bij de democratie. Scherpe politieke discussies ook. Intimidatie niet. Juist wanneer het persoonlijk wordt, wordt zichtbaar hoe belangrijk het is dat bestuurders en volksvertegenwoordigers elkaar niet laten vallen.
Maar het eerste grote inhoudelijke onderwerp van de ochtend bracht een heel andere urgentie met zich mee: de jeugdzorg.
De financiële nood bij gemeenten is groot, maar het probleem gaat veel verder dan geld. Tijdens het gesprek werd genoemd dat inmiddels ongeveer één op de zeven kinderen jeugdzorg ontvangt en dat de instroom verder dreigt op te lopen.
Hoe komt het dat inmiddels zoveel kinderen bij de jeugdzorg terechtkomen? En zoeken we de oplossing altijd op de juiste plek? Want achter een hulpvraag kan iets heel anders schuilgaan. Armoede. Een te kleine woning. Schulden. Problemen binnen het gezin. De mentale gezondheid van ouders. Een afwezige ouder. Problemen op school. Jeugdzorg kan zulke omstandigheden niet allemaal oplossen. Toch kan het gedrag van een kind uiteindelijk wel de plek worden waar al die problemen zichtbaar worden. En dan dreigt iets vreemds: we behandelen het kind, terwijl de oorzaak misschien ergens anders ligt.
Natuurlijk zijn er kinderen die specialistische jeugdzorg nodig hebben. Daar mag geen twijfel over bestaan. Juist voor hen moet goede en passende zorg beschikbaar zijn. Maar wanneer de oorzaak van problemen buiten het kind ligt, moeten we oppassen dat we niet vooral het kind proberen te ‘repareren’.
Juist daar hebben gemeenten mogelijkheden. Gemeenten gaan niet alleen over jeugdzorg. Ze hebben ook verantwoordelijkheden op het gebied van wonen, schuldhulpverlening, bestaanszekerheid, welzijn en de sociale basis. Jeugdbeleid zou daarom niet alleen het dossier van de wethouder Jeugd moeten zijn.
Ook de wethouder Wonen voert in zekere zin jeugdbeleid wanneer een gezin eindelijk een passende woning krijgt. Armoedebeleid kan jeugdbeleid zijn. Onderwijsbeleid kan jeugdbeleid zijn. Welzijn kan jeugdbeleid zijn.
Misschien moeten we dus minder vaak uitsluitend vragen: welke hulp heeft dit kind nodig? En vaker: wat gebeurt er rondom dit kind waardoor deze hulp nodig is geworden?
Daarvoor moet ook veel beter worden benut wat lokaal al bekend is. Kijk naar wijken. Gebruik beschikbare gegevens. Praat met scholen, kinderopvang, jongerenwerk, welzijnsorganisaties en andere partijen die kinderen en gezinnen dagelijks tegenkomen.
Vaak hebben al die organisaties afzonderlijk een stukje van dezelfde werkelijkheid in handen. De winst kan ontstaan wanneer die informatie en ervaring bij elkaar worden gebracht en problemen eerder worden herkend.
En daarmee kwam ik opnieuw uit bij een onderwerp dat tijdens mijn workshop gemeentefinanciën op dag 1 al nadrukkelijk naar voren was gekomen: preventie. Daar zit misschien wel een van de grootste tegenstrijdigheden in het huidige systeem. We zeggen dat we problemen vroeg willen aanpakken. We zeggen dat preventie belangrijk is. We zeggen dat kinderen niet onnodig in zware zorg terecht moeten komen. Maar tegelijkertijd kunnen enkele zeer complexe en dure jeugdzorgtrajecten zo zwaar op een gemeentelijke begroting drukken dat juist de ruimte om preventief te investeren kleiner wordt. Dan ontstaat een bijna omgekeerde financiële prikkel: voor voorkomen ontbreekt de ruimte, maar wanneer het probleem ernstig genoeg is geworden, moet de rekening wel worden betaald.
Hoe logisch is een systeem dat zo werkt?
Juist met mijn pet van Raden in Verzet vond ik dit een wezenlijk punt. De discussie over gemeentefinanciën gaat namelijk niet alleen over de hoogte van het gemeentefonds. Het gaat ook over de vraag of gemeenten daadwerkelijk in staat worden gesteld om problemen eerder aan te pakken, in plaats van pas te betalen wanneer ze groot, ingewikkeld en duur zijn geworden.
Ook vanuit de jeugdzorgsector zelf klonk stevige kritiek. Niet iedere hulpvraag hoeft automatisch een jeugdzorgtraject te worden. Aanbieders zouden duidelijker moeten begrenzen wat zij wel en niet doen. De kwaliteit moet omhoog en er werd kritisch gesproken over grote prijsverschillen voor vergelijkbare vormen van zorg.
Ook de marktwerking in de jeugdzorg werd nadrukkelijk ter discussie gesteld. Een van de meest indringende voorbeelden ging over een kind dat na het overlijden van een ouder binnen de eigen familie kon worden opgevangen. Een familielid wilde het kind opnemen en grootbrengen. Toch zorgden procedures en het systeem er volgens het vertelde voorbeeld voor dat het kind uiteindelijk bij pleegouders elders terechtkwam.
Los van alle details van zo’n individuele casus bleef vooral de achterliggende vraag bij mij hangen: Hoeveel verdriet kunnen we zelf organiseren wanneer het systeem belangrijker wordt dan de bedoeling ervan? Want daar raakt deze discussie voor mij aan de kern. Achter woorden als stelsel, aanbesteding, bekostiging, tarief en hervormingsagenda zit uiteindelijk een kind. Een systeem heeft geen jeugd. Een kind wel.
Dat betekent niet dat iedere procedure verkeerd is of dat complexe jeugdzorg eenvoudig kan worden opgelost. Integendeel. Juist omdat beslissingen over kinderen zorgvuldig moeten worden genomen, zijn regels en professionele afwegingen nodig.
Maar regels zijn een middel. Nooit het einddoel.
Hetzelfde geldt voor geld. Natuurlijk moet de jeugdzorg betaalbaar blijven. Maar alleen praten over kosten doet geen recht aan het vraagstuk. Tegelijkertijd kunnen we ook niet doen alsof geld er niet toe doet. Iedere euro die vastzit in een systeem dat niet goed functioneert, kan niet worden besteed aan ondersteuning die wél verschil maakt.
Daarom vond ik de oproep richting nieuwe colleges interessant: maak jeugdbeleid een verantwoordelijkheid van het hele college.
Niet alleen de wethouder Jeugd, maar ook de wethouders die gaan over wonen, armoede, onderwijs, welzijn en bestaanszekerheid bepalen mede onder welke omstandigheden kinderen opgroeien. En misschien ligt daar lokaal ook een deel van de oplossing. Niet wachten totdat Den Haag het hele stelsel heeft hervormd. Niet wachten totdat iedere financiële discussie is opgelost. Niet wachten totdat alle organisaties het volledig met elkaar eens zijn. Kijk wat er in je eigen gemeente gebeurt. Kijk waar kinderen vastlopen. Breng organisaties bij elkaar. Investeer waar mogelijk eerder in plaats van later. Want over stelsels kunnen we jarenlang vergaderen. Kinderen hebben die tijd niet.

Juist daar sloot het verhaal van journalist, geograaf en schrijver Floor Milikowski opvallend goed op aan. Zij trok het perspectief verder open. Als de omgeving waarin mensen opgroeien zoveel invloed heeft op welzijn, kansen en gezondheid, moeten we dan niet veel kritischer kijken naar de manier waarop we onze buurten, steden en dorpen inrichten?
Zij begon niet met nóg meer cijfers, maar juist met de oproep om daar even van weg te stappen. Weg van spreadsheets, KPI’s, targets en modellen. Eerst nadenken over een veel fundamentelere vraag: wat voor Nederland willen we eigenlijk bouwen?
Nederland heeft veel om trots op te zijn. Mooie steden en dorpen, een sterke economie en voorzieningen die op veel plekken goed functioneren. Maar we hebben ook achterstallig onderhoud, verouderde woonwijken en plekken die ooit vanuit goede bedoelingen zijn ontworpen, maar tientallen jaren later niet meer vanzelfsprekend aansluiten bij wat mensen nodig hebben. Daarmee stelde Milikowski een vraag die eenvoudig klinkt, maar behoorlijk ingewikkeld wordt zodra je haar op gemeentelijk beleid toepast: wat is eigenlijk waarde?
Is de waarde van een gebouw wat het heeft gekost? Is een parkeerplaats waardevoller omdat die rechtstreeks geld kan opleveren? En hoe bereken je dan de waarde van een buurthuis, bibliotheek, park, speeltuin of andere plek waar mensen elkaar ontmoeten?
Juist dat vond ik interessant na alle gesprekken over gemeentefinanciën. Een parkeerplaats levert aantoonbaar geld op. Een buurthuis kost geld. Tenminste, zo kan het op papier lijken. Maar wat als dat buurthuis eenzaamheid vermindert, kinderen een plek geeft, problemen eerder zichtbaar maakt en ervoor zorgt dat mensen naar elkaar omkijken? Is het dan nog steeds alleen een kostenpost?
En misschien nog ongemakkelijker: meten we wat werkelijk waardevol is, of zijn we vooral gaan waarderen wat gemakkelijk meetbaar is?
Milikowski gaf een treffend voorbeeld van twee ouderen met een vergelijkbare zorgbehoefte. De één woonde in een omgeving waar buren naar elkaar omkeken. Even controleren of iemand wakker was, medicijnen had ingenomen, steunkousen aan had of een boodschap nodig had. De ander woonde veel geïsoleerder en had daardoor aanzienlijk meer professionele ondersteuning nodig.
Dan wordt de vraag ineens groter dan wonen of zorg. Als investeren in een goede leefomgeving uiteindelijk zorgkosten kan voorkomen, waarom zijn budgetten en verantwoordelijkheden dan zo georganiseerd dat degene die in die leefomgeving investeert niet noodzakelijk degene is die later de financiële besparing terugziet? Daar wordt verkokering ineens heel concreet.
De ene afdeling investeert, terwijl de maatschappelijke of financiële opbrengst misschien jaren later bij een andere afdeling zichtbaar wordt. En als iedere afdeling vooral op haar eigen begroting wordt afgerekend, kan iets wat voor de samenleving als geheel verstandig is binnen één afzonderlijk budget juist ongunstig lijken.
Een ander voorbeeld liet zien dat een ingreep helemaal niet altijd groot hoeft te zijn. Een troosteloze flat met gesloten galerijen, weinig onderling contact en veel wantrouwen veranderde nadat de omgeving anders werd ingericht. Hekken verdwenen, er kwam meer ruimte voor ontmoeting en bewoners begonnen hun omgeving zelf toe te eigenen. Plantenbakken verschenen, kinderen speelden buiten en buren raakten met elkaar in gesprek.
Het klinkt bijna te eenvoudig. Maar misschien zit daar juist een belangrijke les.
We zijn gewend geraakt om maatschappelijke problemen groot te maken. Daar horen vervolgens grote programma’s, budgetten, beleidsnota’s en indicatoren bij. Terwijl soms een relatief kleine verandering in de fysieke omgeving grote gevolgen kan hebben voor hoe mensen zich gedragen, elkaar ontmoeten en zich ergens thuis voelen.
Dat betekent natuurlijk niet dat een plantenbak armoede oplost of dat een bankje de jeugdzorg hervormt. Maar de inrichting van een buurt is ook niet neutraal.
Een omgeving kan ontmoeting stimuleren of juist moeilijker maken. Zij kan uitnodigen om naar buiten te gaan of ervoor zorgen dat iedereen achter zijn eigen voordeur verdwijnt. Zij kan kinderen ruimte geven om te spelen, ouderen uitnodigen naar buiten te gaan en bewoners gelegenheid geven elkaar daadwerkelijk tegen te komen.
En daarmee kwam ik eigenlijk weer terug bij het gesprek over jeugdzorg. Als we zeggen dat problemen rondom kinderen niet alleen met zorg moeten worden opgelost, moeten we ook bereid zijn te kijken naar de wereld waarin die kinderen opgroeien. Hebben zij ruimte om buiten te spelen? Is er groen? Kunnen ouders elkaar ontmoeten? Zijn voorzieningen dichtbij? Is er een school, buurthuis, bibliotheek of jongerenwerker? Voelen mensen zich verantwoordelijk voor hun omgeving en voor elkaar? Preventie begint misschien soms veel eerder dan bij het loket van de jeugdzorg.
Milikowski liet ook voorbeelden zien van plaatsen waar verschillende opgaven bewust met elkaar zijn verbonden. Niet eerst wonen, daarna duurzaamheid, vervolgens welzijn en ergens aan het einde nog de openbare ruimte, maar vanaf het begin kijken wat een wijk als geheel nodig heeft.
Daarvoor moet je wel iets durven wat binnen overheden niet altijd eenvoudig is: beleidsterreinen, financiële stromen en verantwoordelijkheden bij elkaar brengen.
En vooral: vooraf weten waar je naartoe wilt.
Dat bracht haar bij misschien wel de belangrijkste boodschap van haar verhaal: durf te dromen.
Dat klinkt voor een zaal vol bestuurders misschien bijna te vrijblijvend. Bestuurders hebben immers te maken met procedures, begrotingen, regelgeving, targets en politieke verantwoording. Maar juist daardoor bestaat het risico dat we heel goed worden in het organiseren van processen zonder onszelf nog vaak genoeg de vraag te stellen waarvoor we het eigenlijk doen.
Hoe moet een wijk er over vijftien jaar uitzien? Waar moeten kinderen kunnen opgroeien? Hoe willen we dat ouderen wonen? Waar ontmoeten mensen elkaar? Hoeveel ruimte geven we aan auto’s en hoeveel aan mensen?
En wat vinden we uiteindelijk belangrijker: wat op korte termijn financieel het meeste oplevert, of wat op langere termijn de meeste maatschappelijke waarde creëert?
Dat vraagt lef.
Niet iedere keuze levert binnen één bestuursperiode resultaat op. Een bestuurder kan investeren in iets waarvan de werkelijke opbrengst pas jaren later zichtbaar wordt. Misschien zelfs wanneer iemand anders inmiddels op zijn of haar stoel zit.
Maar als we alleen besluiten nemen waarvan het resultaat binnen vier jaar zichtbaar moet zijn, wie neemt dan verantwoordelijkheid voor wat over tien, twintig of dertig jaar nodig is?

Na anderhalve congresdag begon voor mij steeds duidelijker te worden dat veel van de grote gemeentelijke vraagstukken helemaal niet los van elkaar bestaan.
Bij het Oranje Fonds ging het over gemeenschappen. Bij Esther Vergeer over daadwerkelijk kunnen meedoen. Tijdens mijn workshop gemeentefinanciën over preventie en structurele keuzes. Bij de jeugdzorg over kijken naar wat er rondom een kind gebeurt. En bij Floor Milikowski over de invloed van onze fysieke leefomgeving.
Jeugdzorg raakt armoede. Armoede raakt wonen. Wonen raakt gezondheid. De inrichting van een wijk raakt ontmoeting, eenzaamheid, veiligheid en uiteindelijk misschien zelfs de vraag hoeveel professionele ondersteuning mensen nodig hebben. Toch organiseren en financieren we deze onderwerpen nog vaak alsof het afzonderlijke werelden zijn. Misschien is dát wel een van de grootste uitdagingen voor gemeenten: niet nóg meer beleid maken, maar verbanden durven leggen tussen beleid dat er al is.
En dan komt de moeilijkste stap: kiezen. Niet alleen voor wat vandaag binnen de begroting past, maar ook voor wat over tien of twintig jaar maatschappelijke waarde oplevert. Want als we alleen investeren in wat onmiddellijk meetbaar en betaalbaar is, bestaat het risico dat juist datgene wat een gemeenschap sterk maakt buiten beeld raakt. En precies op dat punt werd het verhaal vervolgens heel praktisch. Want wat is zo’n sterke gemeenschap eigenlijk waard als mensen die ondersteuning nodig hebben haar niet weten te vinden?

In het volgende gesprek kwam het Oranje Fonds opnieuw terug, ditmaal aan de hand van een initiatief uit een dorp in de gemeente Lochem. Daar werd verteld over een brede dorpsvereniging en over de inzet van een dorpsondersteuner. Er waren activiteiten, voorzieningen en vrijwilligers. Toch betekende dat niet automatisch dat inwoners die kwetsbaar of eenzaam waren ook daadwerkelijk werden bereikt.
Dat zette mij aan het denken over een formulering die we binnen de overheid gemakkelijk gebruiken: mensen zijn ‘moeilijk bereikbaar’.
Maar zijn mensen moeilijk bereikbaar? Of zijn onze systemen soms moeilijk bereikbaar voor mensen? De dorpsondersteuner koos in ieder geval voor een andere aanpak. Niet wachten totdat iemand zelf naar een locatie kwam. Zij pakte de telefoon, ging de straat op, sprak mensen aan en zocht persoonlijk contact. Eerst luisteren. Eerst begrijpen wat er speelt. Daarna pas kijken wat nodig is.
Daarmee werd iets zichtbaar wat in beleidsstukken gemakkelijk verloren gaat. Een voorziening kan bestaan zonder dat zij de mensen bereikt voor wie zij bedoeld is. Een deur kan openstaan zonder dat iemand zich uitgenodigd voelt om binnen te komen.
Toegankelijkheid is dus meer dan kunnen binnenlopen. De echte vraag is of mensen daadwerkelijk worden bereikt.
Eenzaamheid bleek bovendien niet alleen onder ouderen voor te komen. Ook jongeren konden ermee worstelen, onder andere na de coronaperiode. Juist door actief contact te zoeken kwamen problemen boven tafel die anders misschien achter voordeuren waren gebleven.
Een voorbeeld maakte dat heel concreet. Een gezin kwam in een bijzonder moeilijke situatie terecht toen een terminaal zieke man naar huis kwam. Er was verdriet, onzekerheid en radeloosheid. De dorpsondersteuner werd gebeld.
Wat volgde begon niet met een formulier, indicatie of beleidsprogramma. Er werd geluisterd. Vervolgens werd gekeken wat praktisch nodig was en wie in de omgeving iets kon betekenen. Een buur hielp met eten, een ander met iets anders. Mensen die dicht bij elkaar woonden, maar elkaar nauwelijks kenden, kwamen met elkaar in contact. Dat lijkt klein. Maar hoeveel is het waard wanneer iemand op zo’n moment niet alleen komt te staan? Hoeveel is het waard wanneer buren elkaar leren kennen voordat er een volgende crisis ontstaat?
En hoeveel professionele ondersteuning kan misschien worden voorkomen wanneer mensen eerder naar elkaar omkijken? Daarmee kreeg de vraag van Floor Milikowski bijna onmiddellijk een antwoord uit de praktijk. Maatschappelijke waarde zit niet alleen in stenen, voorzieningen of begrotingen. Zij zit ook in relaties tussen mensen.
Maar ook daar zit een bestuurlijke valkuil. We zeggen graag dat we bewonersinitiatieven, vrijwilligers en gemeenschappen willen versterken. Maar hoeveel vertrouwen geven we werkelijk wanneer een klein initiatief vervolgens door formulieren, subsidievoorwaarden en verantwoordingsregels moet die vooral zijn ingericht op professionele organisaties?
En hoeveel kunnen we eigenlijk van vrijwilligers verwachten? ‘We doen het samen’ kan nooit betekenen dat de overheid onvoldoende middelen heeft en daarom verwacht dat inwoners het zelf maar oplossen. Een vrijwilliger is geen vervanging voor een professional. Een buurthuis is geen vervanging voor jeugdzorg. Een mantelzorger is geen bezuinigingsmaatregel.
Een sterke gemeenschap en een sterke overheid zijn geen tegenpolen. Juist wanneer beide hun eigen verantwoordelijkheid nemen, kunnen zij elkaar versterken.

Vanuit die praktijk werd de blik vervolgens weer op de verhouding tussen gemeenten en het Rijk gericht. In haar jaarrede ging VNG-voorzitter Sharon Dijksma in op de grote opgaven waarvoor gemeenten staan en op de vraag wat daarvoor nodig is.
Met mijn tweede pet namens Raden in Verzet luisterde ik daar extra scherp naar. Want hier kwamen opnieuw taken, geld en uitvoeringskracht bij elkaar.
Dijksma verwees naar de woorden van de minister-president een dag eerder over de financiële verantwoordelijkheid van het Rijk voor taken die gemeenten uitvoeren. Tegelijkertijd legde zij ook een verantwoordelijkheid bij gemeenten zelf. Gemeenten moeten de jeugdzorg doelmatig organiseren en inhoudelijk blijven werken aan een beter stelsel voor kwetsbare kinderen.
Die combinatie is belangrijk. De discussie kan niet alleen zijn: Den Haag moet meer geld geven. Maar zij kan evenmin zijn: gemeenten moeten het maar oplossen met wat ze krijgen.
Wanneer het Rijk taken bij gemeenten neerlegt, moeten verantwoordelijkheden, ambities, uitvoeringskracht en financiële middelen met elkaar in verhouding staan.
Want een taak overdragen zonder voldoende geld of uitvoeringskracht maakt die taak niet goedkoper. Het verplaatst vooral het probleem. En uiteindelijk staat niet het Rijk tegenover de inwoner die geen passende ondersteuning krijgt, maar de gemeente.
Dijksma wees ook op woningbouw. Nieuwe woningen bouwen is noodzakelijk, maar een woonwijk bestaat niet alleen uit huizen. Mensen moeten er kunnen komen. Er zijn wegen, openbaar vervoer en voorzieningen nodig. Wanneer de ambitie voor woningbouw groeit, maar investeringen in noodzakelijke infrastructuur achterblijven, ontstaat opnieuw een kloof tussen ambitie en uitvoering.
Taken. Ambities. Middelen. Uitvoeringskracht. Op papier kun je ze afzonderlijk bespreken. In een gemeente komen ze uiteindelijk allemaal bij elkaar.

Die discussie werd verder gevoerd toen minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Pieter Heerma het podium betrad.
Hij begon met waardering voor burgemeesters, wethouders, raadsleden, griffiers en gemeentesecretarissen en voor het werk dat zij binnen de lokale democratie verrichten.
Volgens Heerma is de afgelopen jaren veel van gemeenten gevraagd. Het gaat om taken, geld en opdrachten vanuit Den Haag. Tegelijkertijd is volgens hem onvoldoende de vraag gesteld of gemeenten die opdrachten ook daadwerkelijk konden uitvoeren. Hij beschreef het gevoel dat bij lokale bestuurders is ontstaan dat Den Haag een opdracht overdraagt, maar vervolgens met de rug naar het lokale bestuur gaat staan wanneer die opdracht in de praktijk moet worden uitgevoerd.
Dat moet volgens hem anders. Rijk en gemeenten zijn medeoverheden die voor gezamenlijke opgaven staan. Geen van beide kan die alleen oplossen. Heerma vertelde dat de gesprekken over een andere verhouding tussen Rijk en gemeenten soms hard en schurend zijn geweest, maar volgens hem ook nodig waren om anders naar elkaar te leren kijken.
Daarbij gaat het niet alleen om taken en geld. Heerma verwees naar het rapport van de commissie over interbestuurlijke verhoudingen en voegde daar twee andere begrippen aan toe: ambities en uitvoeringskracht. Die moeten volgens hem met elkaar in evenwicht zijn.
Kunnen alle ambities worden uitgevoerd met het geld en de uitvoeringskracht die beschikbaar zijn? En als dat niet kan, welke keuzes moeten dan worden gemaakt?
Ook de jeugdzorg kwam terug. Heerma benadrukte dat daar niet alleen een gesprek over geld nodig is. Er moet ook worden besproken hoe kan worden voorkomen dat de ontwikkeling in de jeugdzorg op dezelfde manier doorgaat. De financiële discussie en de inhoudelijke vraag hoe het stelsel anders kan, horen volgens hem bij elkaar.
Een belangrijk deel van zijn bijdrage ging vervolgens over de veiligheid van lokale politici en bestuurders. Heerma sprak over een harder klimaat, zowel op sociale media als op straat, en over burgemeesters, wethouders en raadsleden die te maken krijgen met intimidatie en bedreigingen.
Hij benadrukte vooral dat mensen die daarvan het doelwit worden niet alleen mogen worden gelaten. Zelf probeert hij contact op te nemen wanneer lokale bestuurders onder druk staan. Ook wees hij op voorbeelden waarbij gemeenteraden, over politieke verschillen heen, gezamenlijk achter een bedreigd raadslid of bestuurder gingen staan en duidelijk maakten dat intimidatie niet wordt geaccepteerd.
Voor Heerma raakt dit rechtstreeks aan de toekomst van de democratische rechtsstaat. Democratie is volgens hem geen vanzelfsprekendheid. Naast praktische ondersteuning en maatregelen vanuit Binnenlandse Zaken begint weerbaarheid daarom bij het gezamenlijk stellen van een norm en bij het naast mensen gaan staan wanneer zij worden bedreigd.
Daarna verschoof het gesprek naar buurthuizen, wijkverenigingen en andere lokale gemeenschappen. Heerma ziet daarin een bredere verandering in de samenleving. Na een periode waarin individualisering sterk aanwezig was, ziet hij volgens eigen zeggen steeds meer initiatieven waarin mensen elkaar opnieuw opzoeken en verantwoordelijkheid nemen voor hun buurt of omgeving.
Hij sprak daarbij over ‘democratiemakers’. Democratie is volgens hem niet alleen iets van Den Haag, het parlement of het journaal. Zij wordt ook gemaakt door mensen die zich in hun eigen buurt inzetten en verantwoordelijkheid nemen voor hun gemeenschap.
De overheid hoeft die gemeenschappen volgens Heerma niet zelf te creëren. Zij moet ze vooral ruimte geven en ervoor zorgen dat ze niet onnodig worden belemmerd. Hij waarschuwde er daarbij voor om maatschappelijke gemeenschappen meteen tot een beleidsdoel te maken.
In dat verband sprak hij ook over het Gemeenschapsfonds. Volgens Heerma is daarvoor in het coalitieakkoord geld uitgetrokken en wordt nog gewerkt aan de verdere vormgeving. Het fonds moet onder meer ruimte bieden aan ontmoetingsplekken en lokale initiatieven.
Daarbij gaf hij een duidelijke waarschuwing: maak zo’n regeling niet zo ingewikkeld met subsidievoorwaarden, compliance-eisen, KPI’s en andere regels dat uiteindelijk vooral grote professionele organisaties in staat zijn om er gebruik van te maken. De bedoeling is volgens hem juist dat ook kleine, lokale initiatieven toegang kunnen krijgen. Dat vraagt volgens Heerma ook om een andere manier van denken binnen Den Haag.
Hij verwees vervolgens naar een festival in Utrecht waar mensen uit het hele land samenkwamen die zich in hun eigen buurt of wijk inzetten voor bijvoorbeeld leefbaarheid, vergroening en gemeenschapsvorming. Voor Heerma liet zo’n bijeenkomst zien wat democratisch burgerschap in de praktijk kan betekenen.
Aan het einde van zijn bijdrage keerde hij terug naar de verhouding tussen overheid en samenleving. Volgens Heerma moet de samenleving niet worden ingezet als een instrument waarmee de overheid een beleidsdoel probeert te behalen. Zodra alles in cijfers moet worden uitgedrukt, gemeten en verantwoord, bestaat volgens hem het risico dat de werkelijke betekenis ervan uit beeld verdwijnt.
Daarbij gebruikte hij een scherpe formulering over het denken vanuit New Public Management: dat ziet volgens hem van alles de prijs, maar van niets de waarde.
De waarde van de samenleving laat zich volgens Heerma niet samenvatten in één beleidsdoel. Zijn boodschap aan gemeenten was daarom vooral om die maatschappelijke kracht te herkennen en de samenleving de ruimte te geven. Daarmee eindigde zijn bijdrage en werd het programma vervolgd met het afscheid van Leonard Geluk.

Na het inhoudelijke ochtendprogramma begon het tweede deel van de congresdag met de Algemene Ledenvergadering van de VNG. Ik ben daar niet tot het einde bij gebleven. Twee onderwerpen wilde ik nog wel bewust volgen, omdat die nauw aansloten bij thema’s die gedurende het congres steeds terugkwamen: asiel en migratie en het sociaal domein, in het bijzonder de jeugdzorg.
Bij het onderwerp asiel en migratie lag de nadruk op een beter functionerende asielketen, uitvoerbaarheid voor gemeenten en de ruimte om rekening te houden met lokale omstandigheden. Ook werd gesproken over de publieke gezondheidszorg voor asielzoekers. Een motie die opriep om marktwerking daarin tegen te gaan kreeg brede steun. Daarbij werd nadrukkelijk gewezen op het belang van continuïteit van publieke gezondheidszorg, ook voor vluchtelingenkinderen.


Het tweede onderwerp dat ik volgde was het sociaal domein. Opnieuw stond de jeugdzorg centraal. Daarbij ging het niet alleen over de financiële druk, maar ook over de vraag waar gemeenten zelf het verschil kunnen maken: sterke lokale teams, ondersteuning zo dicht mogelijk bij kinderen en gezinnen organiseren en tegelijkertijd oplossingen vinden voor de kleine groep zeer complexe en kostbare jeugdzorgcasussen. Ook werd benadrukt dat juist de zwaarste vormen van jeugdzorg een steeds groter deel van de uitgaven vragen.
Daarmee sloot de ALV voor mij logisch aan op de rest van het congres. De onderwerpen veranderden, maar de onderliggende vraag bleef dezelfde: welke verantwoordelijkheid leggen we bij gemeenten, welke ruimte krijgen zij om lokaal te handelen en zijn de middelen en mogelijkheden daarmee in balans?

Naast mijn rol als raadslid en fractievoorzitter en mijn aanwezigheid namens Raden in Verzet had ik tijdens deze congresdag nog een derde pet op: die van bestuurslid van Stichting Recht Kinderen van de Staat.
Daarom had ik Kinderen van de Staat Deel II – Recht en onrecht in de jeugdzorg meegenomen. Niet om het boek alleen onder de aandacht te brengen, maar juist om het terecht te laten komen bij mensen die vanuit verschillende posities invloed hebben op de toekomst van de jeugdzorg.
Een exemplaar overhandigde ik aan Ahmed Aboutaleb, voorzitter van Jeugdzorg Nederland. Vanuit die positie vertegenwoordigt hij organisaties die dagelijks betrokken zijn bij de hulp aan kinderen en gezinnen. Tijdens het congres sprak hij bovendien uitgebreid over de problemen in het huidige stelsel. Voor mij was dat een logisch moment om hem ook de verhalen en ervaringen mee te geven die in Kinderen van de Staat zijn vastgelegd.

Ook Cathalijne Dortmans ontving een exemplaar. Zij nam tijdens het plenaire programma deel aan het gesprek over jeugdzorg als bestuurlijk aanjager van de Brede Aanpak Jeugd. In dat gesprek ging het juist over de vraag hoe we kunnen voorkomen dat steeds meer kinderen in de jeugdzorg terechtkomen en hoe gemeenten breder kunnen kijken naar de omstandigheden rondom een kind. Ook voor haar vond ik het daarom belangrijk dat het perspectief van kinderen en gezinnen onderdeel blijft van de zoektocht naar verandering.

Het derde exemplaar overhandigde ik aan Tamara van Ark. Zij leidde de deskundigencommissie die adviseerde over de Hervormingsagenda Jeugd en de financiële en inhoudelijke houdbaarheid van het jeugdstelsel. Haar werk raakt daarmee rechtstreeks aan een discussie die tijdens deze twee congresdagen voortdurend terugkwam: wat moet er inhoudelijk veranderen, wat vraagt dat van gemeenten en welke financiële voorwaarden zijn daarvoor nodig?

Daarnaast heb ik Kinderen van de Staat Deel II ook aan drie organisaties overhandigd die ieder vanuit een andere invalshoek te maken hebben met de omstandigheden waarin kinderen opgroeien.
Een exemplaar ging naar Stichting Armoedefonds. Armoede raakt immers veel meer dan alleen het inkomen van een gezin. Het kan gevolgen hebben voor gezondheid, onderwijs, sociale contacten en de mogelijkheden van kinderen om mee te doen. Juist omdat het Armoedefonds zich inzet tegen armoede en ook nadrukkelijk aandacht vraagt voor kinderarmoede, vond ik het belangrijk om het boek daar onder de aandacht te brengen.

Ook de Nationale ombudsman ontving een exemplaar. Dat vond ik belangrijk vanwege de rechtsbescherming van burgers tegenover de overheid. Juist binnen de jeugdhulp en jeugdbescherming kunnen besluiten van overheden en instanties diep ingrijpen in het leven van kinderen en ouders. De Nationale ombudsman heeft samen met de Kinderombudsman bovendien onderzoek gedaan naar de invloed die kinderen en ouders daadwerkelijk hebben op hun eigen jeugdhulp. Het perspectief van het kind, gehoord worden en serieus kunnen deelnemen aan beslissingen die je eigen leven raken, sluit rechtstreeks aan bij de vragen die in Kinderen van de Staat worden gesteld.

Het derde exemplaar ging naar Stichting Groei Veilig. Deze stichting richt zich op het vroegtijdig signaleren en bespreekbaar maken van kindermishandeling en stelt daarbij een wezenlijke vraag centraal: waarom wordt er bij kindermishandeling zoveel vóór en óver jonge kinderen gesproken, maar zo weinig mét hen? Ook daar ligt voor mij een directe verbinding met kinderrechten. Een kind beschermen betekent niet alleen ingrijpen wanneer het misgaat. Het betekent ook signalen vroeg herkennen, luisteren naar wat een kind vertelt en de stem van het kind serieus nemen.

Juist daarom vond ik deze drie overhandigingen waardevol. Armoede, rechtsbescherming en veiligheid lijken misschien verschillende onderwerpen, maar in het leven van een kind kunnen ze nauw met elkaar verweven zijn. Wie werkelijk iets aan de problemen in de jeugdzorg wil veranderen, kan niet alleen naar het zorgstelsel kijken. We moeten ook kijken naar bestaanszekerheid, naar de manier waarop overheid en instanties met gezinnen omgaan en naar de veiligheid en stem van het kind.
Het aanbieden van zo’n boek is voor mij geen doel op zichzelf. Het gaat erom dat de ervaringen en rechtspositie van kinderen niet verdwijnen achter discussies over stelsels, geldstromen, aanbestedingen en bestuurlijke verantwoordelijkheden. Wie over jeugdzorg beslist, moet ook weten wat die besluiten uiteindelijk kunnen betekenen in het leven van een kind.
En misschien kwamen mijn drie petten tijdens deze twee dagen juist daar bij elkaar. Als raadslid kijk ik naar wat gemeenten lokaal kunnen en moeten doen. Vanuit Raden in Verzet naar de vraag of gemeenten daarvoor voldoende middelen en ruimte krijgen. En vanuit Stichting Recht Kinderen van de Staat naar degene om wie het bij jeugdzorg uiteindelijk hoort te gaan: het kind.
Daarmee zat ook mijn laatste bijdrage aan deze congresdagen erop. Met veel nieuwe inzichten, bijzondere gesprekken en genoeg stof om thuis verder over na te denken, verliet ik de Achterhoek en ging ik naar huis.