Menselijkheid in een digitale wereld centraal tijdens het eerste Nationale Congres Digitalisering en Welzijn
Wat betekent digitalisering voor ons welzijn — en waar ligt de grens tussen gemak, controle en menselijkheid? Die vragen stonden voor mij centraal tijdens het eerste Nationale Congres Digitalisering en Welzijn, georganiseerd door het Expertisecentrum Digitalisering en Welzijn. Als raadslid én als voorvechter van digitale gelijkwaardigheid vond ik dit congres bijzonder waardevol, omdat het liet zien hoe technologie diep verweven raakt met onze identiteit, autonomie en onderlinge relaties.
De dag werd geopend door dagvoorzitter Mattijs Franken en Mark Vermeer, directeur Digitale Zaken bij het ministerie van BZK. Franken positioneerde zichzelf treffend als “analoge mens tussen digitale systemen”. Met humor, spontaniteit en menselijkheid wist hij de zaal direct te raken. Zijn uitnodiging om stil te staan bij de “good glitch” — de waardevolle verstoring in een wereld vol perfectie — raakte voor mij de kern van het congres: juist in het imperfecte schuilt verbinding.
Mark Vermeer bouwde daarop voort vanuit beleidsmatig perspectief. Hij liet zien hoe overheid, kennisinstellingen en samenleving samen verantwoordelijkheid dragen voor een digitale wereld die welzijn bevordert. Zijn bijdrage maakte duidelijk dat beleid pas betekenis krijgt als het ook in de leefwereld van mensen landt — een gedachte die in het lokale bestuur minstens zo relevant is.
Vervolgens nam techniekfilosoof Wietse Hage ons mee in een diepere laag. Hij sprak over de invloed van technologie op ons zelfbeeld: niet alleen wat technologie kan, maar wat ze doet met ons begrip van menselijkheid. Zijn lezing herinnerde mij eraan dat digitale transformatie niet enkel een technische, maar vooral een morele en sociale opgave is.
Een van de meest bijzondere onderdelen was de sessie van kunstenaar Niki Smit en gedragswetenschapper Joanneke Weerdmeester. Hun project Soul Paint liet zien hoe virtual reality kan bijdragen aan mentale veerkracht en zelfinzicht. Het raakte me omdat het technologie niet als doel, maar als middel gebruikte: een veilige ruimte om emoties te onderzoeken en te leren omgaan met stress. Zulke creatieve toepassingen laten zien hoe zorg, kunst en technologie elkaar kunnen versterken.
Tijdens de publieksdialoog kwamen vervolgens vele stemmen samen: jongeren, ouderen, mensen met een beperking en deelnemers met uiteenlopende culturele achtergronden. De gesprekken waren eerlijk en persoonlijk. Jongeren spraken over hun behoefte aan rust en autonomie in een wereld die constant online is. Mensen met een beperking vertelden hoe technologie zelfstandigheid biedt, maar ook nieuwe risico’s kent. Oudere deelnemers wezen terecht op het belang van eenvoud en persoonlijke ondersteuning. De rode draad was helder: digitalisering bevordert pas welzijn als mensen daadwerkelijk worden meegenomen in ontwerp, beleid en uitvoering. Niet de technologie bepaalt de menselijkheid, maar de manier waarop wij haar vormgeven.
Bijzonder indringend vond ik ook de bijdrage van Peter Joziasse van Stichting Digital Child Rights. Samen met jongeren en onderzoekers van het Trimbos Instituut onderzocht hij waarom kinderen zelden hulp vragen bij digitale problemen. De sessie legde bloot dat er nog een kloof bestaat tussen jongeren en hun ondersteuners — ouders, docenten, jongerenwerkers — en dat we beter moeten leren luisteren naar hun digitale leefwereld. Als raadslid herken ik dit uit lokale gesprekken met scholen en jeugdprofessionals: goede bedoelingen zijn niet genoeg als beleid niet aansluit bij de werkelijkheid van jongeren.
In een Engelstalige workshop nam gedragswetenschapper dr. Elcin Hanci (Universiteit van Tilburg) ons mee in de wereld van self-tracking. Haar inzicht — dat de waarde van zelfmonitoring niet in de cijfers ligt, maar in de relatie die we met die data opbouwen — gaf een nieuwe kijk op autonomie. Technologie kan ons gedrag beïnvloeden, maar ook ons zelfbeeld; dat vraagt om bewustwording, niet om automatisme.
De afsluitende keynote van prof. dr. Payal Arora, hoogleraar Inclusive AI Cultures aan de Universiteit Utrecht, bracht een inspirerende, wereldwijde dimensie. Haar oproep om te leren van gebruikers in het Global South — van Lagos tot Jakarta — benadrukte dat inclusieve technologie niet ontstaat vanuit macht, maar vanuit diversiteit. “De toekomst van technologie is niet alleen te vinden in Silicon Valley,” zei ze, en dat is een les die ook lokaal relevant is: de digitale toekomst moet voor iedereen toegankelijk zijn.
Aan het eind van de dag bleef één gedachte bij mij hangen: digitalisering is niet goed of slecht op zichzelf. Het is een spiegel van wie wij willen zijn als samenleving. De echte uitdaging is niet technologisch, maar menselijk — hoe behouden we nabijheid, vertrouwen en empathie in een wereld die steeds meer digitaal bemiddeld is?
Het Expertisecentrum Digitalisering en Welzijn vervult hierin een belangrijke rol. Door onderzoek, training en samenwerking helpt het professionals om technologie in te zetten mét oog voor menselijkheid. Voor gemeenten ligt hier een duidelijke opdracht: digitale transformatie niet alleen zien als efficiëntieverbetering, maar als sociaal-maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Lees ook: https://www.jakoeb.com/de-digitale-speeltuin-is-niet-zonder-risicos/
Lees ook: https://www.jakoeb.com/payal-arora-prikt-door-de-ai-paniek/
Lees ook: https://www.jakoeb.com/speels-grip-op-je-mentale-veerkracht-2/
Lees ook: https://www.jakoeb.com/de-keerzijde-van-de-stappenteller-wat-cijfers-met-ons-doen/
Lees ook: https://www.jakoeb.com/digitale-kinderrechten-in-de-praktijk-luisteren-begrijpen-en-meebewegen/