“Jongeren leven in een polycrisis”
Hoe weerbaar kun je eigenlijk zijn als de wereld om je heen steeds harder drukt?
Die vraag stond onuitgesproken in de ruimte tijdens de bijeenkomst van de Nationale Jeugdstrategie, waar jongeren zelf vertelden hoe hun dagelijks leven wordt gevormd door problemen die elkaar versterken. Geen losse beleidsproblemen, maar drie grote trends die als een soort onderstroom hun dagelijkse leven bepalen: de druk op hun bestaanszekerheid, een snel verslechterende mentale gezondheid en een toekomstperspectief dat brozer voelt dan ooit.
Die drie lijnen kwamen niet uit een theoretisch model, maar uit het grootste jeugdonderzoek dat in Nederland is uitgevoerd. Meer dan 12.000 jongeren werden gehoord. Er werd een representatieve regiegroep van 100 jongeren geloot — zoals een burgerberaad — en tien ministeries schreven in co-creatie mee aan de strategie. De feiten liegen er niet om: jongeren leven in wat de onderzoekers “een polycrisis” noemen. Niet één probleem tegelijk, maar meerdere crises die elkaar versterken en op hun schouders landen.
In de sessie werd tastbaar wat dat betekent. De jongeren aan tafel spraken zonder omwegen. Ze vertelden hoe studieschuld, lage stagevergoedingen en dure kamers niet los van elkaar staan, maar één realiteit vormen — een realiteit die de Nationale Jeugdstrategie benoemt als het structureel onder druk staan van de bestaanszekerheid. Ze deelden hoe sociale media dagelijks knagen aan zelfbeeld en rust, onderdeel van de bredere trend van verslechterende mentale gezondheid. En ze vertelden hoe hulp vaak pas komt wanneer de situatie al is geëscaleerd. “Zeg niet dat ik weerbaar moet zijn als de wachtlijst een jaar is,” zei een van hen. Het bleef even stil in de zaal, en terecht.
Ook veiligheid kwam indringend voorbij. Meisjes die bepaalde straten vermijden. Jongeren die wijk na wijk zien veranderen door criminaliteit. En een deelnemer uit Rotterdam-Zuid die hardop uitsprak dat er soms meer handhaving nodig is om jongeren überhaupt de kans te geven om het juiste pad te kiezen. Zijn verhaal raakte aan de derde grote trend: een toekomstperspectief dat brozer voelt dan ooit. Jongeren maken zich zorgen over klimaat, over oorlog vlakbij Europa, over ongelijkheid en over het ontbreken van basisveiligheid — zelfs in een land dat zichzelf graag ziet als betrouwbaar en georganiseerd.
Wat mij vooral raakte, was dat jongeren geen gunsten vragen. Ze vragen om eerlijke kansen. Om serieus genomen te worden. Om onderwijs dat beschermt én voorbereidt; niet alleen met vakken, maar ook met praktische vaardigheden zoals omgaan met geld, huurrecht, digitale veiligheid, privacy en algoritmes. Ze vragen om een overheid die niet alleen verwacht dat zij ‘weerbaar’ zijn, maar die ook zorgt dat de omstandigheden hen niet breken nog vóór ze volwassen worden. Precies dat is de kern van de Nationale Jeugdstrategie: weerbaarheid is geen individuele opdracht, maar een maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Toen het gesprek verschoof naar jongerenparticipatie, kregen wij als bestuurders een spiegel voorgehouden. Jongeren vertelden dat er meer jongeren zijn dan “de usual three” die willen meedoen, maar dat zij vaak niet weten hoe ze aan tafel moeten komen. Aan de andere kant bleken bestuurders soms huiverig: men wil graag een ‘representatieve’ groep en gebruikt dat onbewust als reden om niet te beginnen – “straks zitten we weer met dezelfde drie”. Jongeren draaiden dat beeld om: begin juist mét die drie, maar vraag hen om anderen mee te nemen, betaal jongeren voor hun inzet en sluit aan bij momenten die er al zijn, zoals de Week van de Jongerenparticipatie en activiteiten van NJR en lokale organisaties. De praktische les is helder: beter klein en onvolmaakt beginnen dan blijven wachten op het perfecte, volledig representatieve model. Representativiteit kun je gaandeweg verbeteren; het echte verlies ontstaat wanneer jongeren helemaal niet mee kunnen doen.
Daar ligt ook onze taak als gemeente. Want jongeren wonen niet in ministeries; ze wonen in Barendrecht, Rotterdam, Den Haag en al die andere plaatsen waar beleid werkelijkheid moet worden. De boodschap tijdens de bijeenkomst was helder: gemeenten hoeven níet te wachten tot een nieuw kabinet alles heeft uitgewerkt. Sommige gemeenten hebben al een eigen jeugdstrategie ontwikkeld; anderen worden nadrukkelijk uitgenodigd om nu te beginnen. Als we willen dat jongeren perspectief houden, dan moeten we lokaal verbinden wat in hun leven ook met elkaar verweven is: mentale gezondheid, wonen, armoede, digitale veiligheid, onderwijs, jongerenwerk en de inrichting van onze openbare ruimte. De aangekondigde afspraken tussen rijk en VNG over jeugdbeleid geven richting, maar de echte verandering begint in wijken, klaslokalen, sportclubs en buurthuizen.
Deze bijeenkomst was geen verslag van problemen, maar een oproep tot samenwerking. Jongeren willen meepraten en meebeslissen – niet symbolisch, maar echt. Ze willen niet alleen gehoord worden, maar terugzien wat we met hun inbreng doen. En ze willen dat bestuurders de moed hebben om te erkennen dat hun toekomst onze verantwoordelijkheid is.
Als raadslid en voorvechter van kinderrechten neem ik uit deze bijeenkomst één duidelijke opdracht mee: jongeren vragen niet om weerbaarheidstrainingen, maar om een overheid die zelf weerbaar genoeg is om te doen wat nodig is. En dat is precies waar ik me voor blijf inzetten – met jongeren, voor jongeren, en voor een samenleving die hen niet opzadelt met de gevolgen van problemen die zij niet hebben veroorzaakt, maar wél het eerst voelen.
