Gemeenten zetten volgende stap in kinderrechten: start derde lichting Child Friendly Cities
Op maandag 3 november kwamen beleidsmakers, wethouders, raadsleden en maatschappelijke partners uit het hele land samen voor de start van de derde lichting van het Child Friendly Cities Initiative (CFCI) van UNICEF Nederland. De bijeenkomst stond in het teken van één centrale vraag: hoe kunnen gemeenten ervoor zorgen dat kinderen zich écht gezien, gehoord en veilig voelen in hun eigen leefomgeving? Tijdens de plenaire opening werden nieuwe gemeenten officieel verwelkomd in het CFCI-netwerk. Zij spraken uit dat kinderrechten niet aan de rand van beleid horen, maar in de kern van gemeentelijke besluitvorming. Een kindvriendelijke stad, zo werd benadrukt, is niet alleen goed voor kinderen, maar voor iedereen.
De deelsessies in de middag sloten aan bij het Jongerenadvies 2025 van UNICEF Nederland, waarin jongeren hun zorgen delen over veiligheid, sociale druk en huisvesting. Er waren drie themasessies: over veiligheid (door Stichting Halt), over online pesten (door Off Limits) en over kindparticipatie bij woningbouw (door Jantje Beton en gebiedsontwikkelaar AM).
Als raadslid en voorvechter van kinderrechten volgde ik de sessie van Stichting Halt, waarin directeur Jaap van der Spek sprak over wat gemeenten kunnen doen om veiligheid op een andere manier te organiseren: niet door alles te juridiseren, maar door verstandig met jongeren om te gaan. Zijn boodschap was helder — niet elk incident hoeft via het strafrecht te worden opgelost. Veel meer kan worden bereikt door te investeren in herstel, nabijheid en vertrouwen. Dat betekent: jongeren helpen hun fouten te begrijpen, schade te herstellen en relaties te versterken, in plaats van ze te etiketteren of weg te sturen.
Van der Spek liet zien hoe herstelgericht werken niet alleen effectiever is, maar ook beter aansluit bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Hij legde uit dat jongeren vaak onveiligheid ervaren — door oorlogen, criminaliteit of discriminatie — maar dat strafrechtelijke benaderingen die gevoelens juist kunnen versterken. In plaats daarvan pleitte hij voor een ecosysteem van conflictoplossing waarin ouders, scholen, sportverenigingen en jongerenwerk de eerste stappen zetten, en Halt of justitie pas wordt ingeschakeld als dat echt nodig is.
De voorbeelden uit de praktijk spraken tot de verbeelding. Een ruzie op het schoolplein, een incident tijdens een sportwedstrijd of een licht vergrijp op straat hoeft niet altijd te leiden tot een aangifte. Door het gesprek aan te gaan, excuses aan te bieden en verantwoordelijkheid te nemen, leren jongeren meer dan van een formele straf. Van der Spek verwees daarbij naar internationale voorbeelden, zoals Ierland, waar lichte jeugdfeiten standaard buiten het strafrecht worden afgehandeld. Dat systeem levert minder recidive op en vergroot het vertrouwen tussen jongeren en overheid.
Voor gemeenten biedt dit concrete aanknopingspunten. Veiligheid begint bij een netwerk van mensen die elkaar kennen, aanspreken en helpen. Scholen en sportclubs kunnen herstelgesprekken leren begeleiden, jongerenwerk kan een brug slaan tussen beleid en praktijk, en gemeenten kunnen herstelroutes vastleggen waarin duidelijk staat wie wat doet. Het vraagt geen extra bureaucratie, maar wel een andere reflex: niet straffen, maar herstellen.
De andere deelsessies gingen over online veiligheid en huisvesting. Off Limits deelde inzichten over de aanpak van online pesten en de invloed van sociale druk, terwijl Jantje Beton en gebiedsontwikkelaar AM lieten zien hoe kinderen al vroeg betrokken kunnen worden bij de inrichting van hun wijk. De rode draad door alle sessies was duidelijk: beleid werkt pas echt als het vertrekt vanuit de leefwereld van kinderen zelf.
Voor mij als raadslid en pleitbezorger van kinderrechten bevestigde deze bijeenkomst hoe belangrijk het is om herstelgericht denken ook lokaal te verankeren. Gemeenten hebben niet alleen de taak om veiligheid te handhaven, maar ook om vertrouwen te herstellen — tussen jongeren, ouders, scholen en overheid. Een kindvriendelijke gemeente is daarmee niet alleen een veilige plek voor kinderen, maar ook een sterkere gemeenschap voor iedereen.
De start van de derde lichting Child Friendly Cities markeert een nieuwe stap: van plannen naar praktijk, van regels naar relaties. Want waar kinderen serieus worden genomen, groeit ook het vertrouwen in de samenleving als geheel.
Tijdens de bijeenkomst werden de volgende gemeenten aangekondigd die de komende jaren toewerken naar een kindvriendelijke gemeente: Amsterdam Zuidoost, Baarn, Bonaire, Haarlemmermeer, Hoorn, Lelystad, Nijmegen, Rotterdam en Steenbergen. Zij volgen daarmee de gemeenten Den Haag, Gooise Meren, Sint Eustatius, Diemen, Eemsdelta, Hellendoorn en Saba op, die dit traject al eerder zijn gestart.
Tot slot wil ik mijn bijzondere waardering uitspreken voor Esther Vreeburg, programmamanager Child Friendly Cities, en Naomi Braunstahl, specialist kinderrechten bij UNICEF Nederland, evenals voor iedereen die deze inspirerende dag mogelijk heeft gemaakt. Hun inzet om het gedachtegoed van kindvriendelijke gemeenten verder te verspreiden is van grote betekenis. Mijn wens is dat uiteindelijk alle gemeenten in Nederland een Child Friendly City worden — omdat elk kind het verdient om op te groeien in een omgeving waar het zich veilig, gehoord en gewaardeerd voelt.


Tijdens de bijeenkomst was ook wethouder Nadir Baali van de gemeente Steenbergen aanwezig. Steenbergen is één van de gemeenten die zich aansluit bij de derde lichting van het Child Friendly Cities Initiative van UNICEF Nederland. Met deze stap committeert de gemeente zich aan het versterken van kinderrechten in het lokale beleid, zodat kinderen en jongeren actief kunnen meedenken over hun leefomgeving en zich veilig en gehoord weten binnen hun eigen gemeente.
Het is belangrijk dat wethouders als Nadir Baali deze stap omarmen, omdat kinderrechten pas echt betekenis krijgen wanneer ze worden vertaald naar lokaal beleid. Gemeenten spelen daarin een sleutelrol: zij bepalen immers de omgeving waarin kinderen opgroeien, spelen en leren. Wanneer bestuurders kinderrechten als uitgangspunt nemen, ontstaat beleid dat niet alleen beschermt, maar ook perspectief biedt. Dat Steenbergen dit actief oppakt, laat zien dat kinderrechten steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel worden van gemeentelijk handelen.
