20.000 mannen per jaar: de ongemakkelijke waarheid achter transnationaal kindermisbruik
De bijeenkomst over transnationaal seksueel kindermisbruik maakte op indringende wijze duidelijk hoe groot, complex en tegelijkertijd onderbelicht dit probleem is. Wat begon als een inhoudelijke uitwisseling tussen professionals uit verschillende sectoren, groeide al snel uit tot een confronterend en urgent verhaal over een werkelijkheid die zich grotendeels buiten het zicht afspeelt, maar wel degelijk ook vanuit Nederland wordt gevoed.
De centrale boodschap van de dag was helder: seksueel kindermisbruik stopt niet bij landsgrenzen, en de aanpak ervan mag dat dus ook niet doen. In de zaal zaten vertegenwoordigers uit onder meer politie, ministeries, zorg, onderwijs, toerisme en maatschappelijke organisaties. Juist die brede vertegenwoordiging onderstreepte dat dit geen probleem is van één sector, maar een gedeelde verantwoordelijkheid.
Een van de meest schokkende inzichten kwam uit recent onderzoek naar de omvang van transnationaal seksueel kindermisbruik. Op basis van een grootschalige steekproef onder Nederlandse mannen wordt geschat dat jaarlijks ongeveer 20.000 mannen vanuit Nederland naar het buitenland reizen om zich daar schuldig te maken aan seksueel misbruik van kinderen. Dat betekent dat gemiddeld 55 mannen per dag vertrekken met dit doel of zich daaraan over de grens schuldig maken. In totaal zou het gaan om circa 150.000 mannen die zich ooit aan dit gedrag hebben schuldig gemaakt, waarvan een groot deel in de afgelopen vijf jaar.
Deze cijfers doorbreken een hardnekkig stereotype. Het beeld van de oudere, eenzame en welgestelde man die naar verre bestemmingen reist, blijkt slechts een deel van de werkelijkheid te zijn. De groep daders is veel breder en diverser. Een aanzienlijk deel is relatief jong en maatschappelijk niet direct afwijkend. Daarmee wordt het probleem minder zichtbaar en moeilijker te herkennen, wat de aanpak bemoeilijkt.
Tegelijkertijd werd duidelijk dat de grens tussen online en offline misbruik steeds verder vervaagt. Met name het fenomeen livestreaming speelt daarin een zorgwekkende rol. Personen die online deelnemen aan live seksueel misbruik van kinderen blijken in meer dan de helft van de gevallen ook fysiek naar het buitenland te reizen om kinderen te misbruiken. Livestreaming is daarmee niet alleen een vorm van misbruik op zichzelf, maar ook een opstap naar fysiek geweld. Dit inzicht biedt tegelijkertijd een belangrijk aanknopingspunt voor opsporing en preventie, omdat dit gedrag eerder zichtbaar kan zijn dan fysiek reizen.
De bijeenkomst liet ook zien hoe lastig signaleren in de praktijk kan zijn. Zelfs professionals met jarenlange ervaring kunnen twijfelen bij wat zij zien. Juist die twijfel vormt een risico, omdat situaties daardoor mogelijk onopgemerkt blijven. Tegelijkertijd werd benadrukt dat die twijfel menselijk is, maar geen reden mag zijn om niets te doen. Elk signaal, hoe klein ook, kan onderdeel zijn van een groter geheel. Door te signaleren, te documenteren en te melden, kunnen losse puzzelstukjes samen leiden tot opsporing en vervolging.
Vanuit de opsporingspraktijk werd een ander, maar aanvullend beeld geschetst. De zaken die daadwerkelijk bij politie en justitie terechtkomen, laten vaak nog wel het klassieke profiel zien van oudere mannen die doelgericht naar het buitenland reizen. Dat roept de vraag op waar de rest van de groep blijft die uit onderzoek naar voren komt. Een belangrijk deel van het antwoord ligt in het feit dat deze vormen van criminaliteit zich grotendeels onttrekken aan het zicht. Meldingen blijven uit, slachtoffers bevinden zich vaak in kwetsbare posities en bewijs is moeilijk te verzamelen, zeker wanneer het over grenzen heen plaatsvindt.
De casuïstiek die wel bekend is, laat zien hoe daders te werk gaan. Zij bouwen relaties op met kinderen en hun omgeving, bieden geld, cadeaus of ondersteuning en creëren daarmee afhankelijkheid. In sommige gevallen worden hele gezinnen financieel beïnvloed, waardoor de drempel om misbruik te melden verder afneemt. Ook digitale middelen spelen een steeds grotere rol. Daders onderhouden contact via chats, vragen om beeldmateriaal en maken gebruik van tussenpersonen in het buitenland. Hierdoor wordt de stap naar fysiek misbruik kleiner en georganiseerder.
Opvallend is dat een deel van de daders aangeeft ooit te hebben overwogen om hulp te zoeken. Toch blijkt die stap in de praktijk zelden gezet te worden. Hoewel campagnes en preventielijnen wel bereik genereren, is het lastig om deze groep daadwerkelijk te bereiken en in beweging te krijgen. Dit werd benoemd als een cruciale uitdaging voor de komende jaren: hoe zorg je ervoor dat mensen eerder hulp zoeken, voordat zij overgaan tot strafbaar gedrag?
Wat tijdens de bijeenkomst vooral bleef hangen, is dat dit probleem alleen kan worden aangepakt door samenwerking. Geen enkele organisatie kan dit alleen. Van luchtvaart en toerisme tot zorg, onderwijs en opsporing: iedereen heeft een rol in het signaleren, voorkomen en bestrijden van transnationaal seksueel kindermisbruik.
De urgentie is groot, de cijfers zijn confronterend en de praktijk is weerbarstig. Maar één boodschap stond boven alles: wegkijken is geen optie. Juist door te zien, te twijfelen én te handelen, kan het verschil worden gemaakt.
